ECLI:NL:RVS:2019:1719
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over gedoogplicht waterstaatswerken in Noordpolder Ossendrecht
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta heeft de eigenaar van een perceel in de Noordpolder van Ossendrecht verplicht om de aanleg van een stuw, het dempen van een watergang en het plaatsen van een duiker te gedogen. De rechtbank oordeelde dat het bestuur onvoldoende had gemotiveerd dat onteigening niet nodig was, mede omdat het de gevolgen van het stijgende waterpeil niet had betrokken bij de belangenafweging.
Het bestuur heeft het bezwaar tegen dit oordeel aangevuld en in hoger beroep gesteld dat alleen de directe gevolgen van de waterstaatswerken relevant zijn, niet de gevolgen van het peilbesluit dat het waterpeil verhoogt. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit standpunt en stelt dat het stijgen van het waterpeil niet voortvloeit uit de gedoogplichtige werkzaamheden, maar uit een separaat, onaantastbaar peilbesluit.
De Afdeling concludeert dat de oppervlakte van het perceel die nodig is voor de werkzaamheden zeer gering is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die onteigening rechtvaardigen. Daarom mocht het bestuur de gedoogplicht opleggen. De eerdere uitspraken van de rechtbank worden vernietigd en het beroep van de eigenaar wordt ongegrond verklaard. Het besluit van 25 januari 2019 wordt eveneens vernietigd omdat de grondslag daarvoor is komen te vervallen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank worden vernietigd; het beroep van de wederpartij wordt ongegrond verklaard.