Uitspraak
Datum uitspraak: 17 juli 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde appellant een bestuurlijke boete van €20.500 op wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad door verhuur aan toeristen. De rechtbank matigde de boete tot €10.250 en oordeelde dat de overtreding was begaan. Het college ging hiertegen in hoger beroep, appellant stelde incidenteel hoger beroep in tegen de overtreding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de ruimte geschikt en bestemd was voor permanente bewoning en dat verhuur aan toeristen ook eenmaal kan leiden tot onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Echter, appellant had op het moment van controle haar hoofdverblijf nog in de woning en voldeed daarmee aan de voorwaarden van het vakantieverhuurbeleid, waaronder inschrijving in de Basisregistratie Personen.
Hierdoor kon het college niet in redelijkheid een boete opleggen. De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de boete werd vastgesteld en bevestigde de vernietiging en herroeping van het oorspronkelijke besluit. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vernietigd omdat appellant voldeed aan het vakantieverhuurbeleid en het college niet in redelijkheid de boete kon opleggen.