ECLI:NL:RVS:2019:3274
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot opleggen last onder dwangsom voor vervoer inbrekerswerktuigen op openbare plaats
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer legde op 4 september 2017 aan appellant een last onder dwangsom op wegens het vervoeren van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats, gebaseerd op artikel 2:44 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening 2017 (APV 2017). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat alleen de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van deze last, dat hij de APV niet had overtreden, dat sprake was van een oneigenlijke samenloop met het strafrecht, dat er geen gevaar voor herhaling was, en dat het besluit in strijd was met rechtszekerheid en disproportioneel was vanwege de hoogte van de dwangsom.
De Afdeling oordeelde dat het college bevoegd was op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het hier niet ging om het feitelijk herstellen van de openbare orde maar om het voorkomen van herhaling. De aard van de aangetroffen werktuigen, het tijdstip en de plaats van aanhouding, en de antecedenten van appellant rechtvaardigden het oordeel dat sprake was van inbrekerswerktuigen en daarmee van overtreding van artikel 2:44 APV Pro 2017.
Verder werd geoordeeld dat de last onder dwangsom niet punitief is maar preventief gericht op het voorkomen van herhaling, en dat de overtreding daadwerkelijk had plaatsgevonden zodat het vereiste van herhalingsgevaar niet hoefde te worden getoetst. Ook was de hoogte van de dwangsom niet onredelijk en stond het besluit niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom door het college bevestigd.