ECLI:NL:RVS:2019:3834
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek nadeelcompensatie wegens waardedaling en overlast door omgevingsvergunning
Appellante is mede-eigenaresse van een woning in Den Haag nabij een pand waarvoor het college omgevingsvergunningen heeft verleend voor kamergewijze verhuur. Zij verzocht om nadeelcompensatie wegens waardedaling van haar woning en overlast door geluid en stank. Het college wees dit verzoek af, en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad van State overwoog dat artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een uitputtende regeling biedt voor vergoeding van schade door planologische maatregelen, waaronder omgevingsvergunningen. Omdat appellante reeds een planschadeprocedure heeft doorlopen en daarin geen vergoeding kreeg voor de waardedaling, kan zij niet op andere grondslag alsnog nadeelcompensatie vorderen.
De omzettingsvergunning is in rechte onaantastbaar en de gestelde overlast en waardedaling vallen binnen het normaal maatschappelijk risico. De Raad van State oordeelt dat de door appellante gestelde schade niet objectief en verifieerbaar is aangetoond en dat de betogen falen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie bevestigd.