Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024
in de zaken tussen
ROE 21/1428: [eiseres ROE 21/1428] te [vestigingsplaats 2] , eiseres, tevens derde-partij in de zaak
Procesverloop
Overwegingen
eenrevitalisering onder het voorgaande planologische regime ook mogelijk was en dat ook zonder nieuw bestemmingsplan trekkers tijdelijk uit het gebied verplaatst konden worden. Kortom: ook zonder nieuw bestemmingsplan had de schade zich kunnen voordoen. Reeds dit maakt dat het causale verband ontbreekt. Ook (de bouw van) de ondergrondse parkeergarage – los van de vraag in hoeverre dit reeds onder het voorgaande planologische regime mogelijk was en los van de vraag of dergelijke uitvoeringsschade planschade is – veroorzaakt niet de geclaimde schade.
Als geen recht op tegemoetkoming in schade als gevolg van een van die planologische maatregelen bestaat op grond van artikel 6.1 van de Wro, omdat aan de daarvoor geldende voorwaarden niet wordt voldaan, kan de aanvrager niet op een andere grondslag alsnog aanspraak maken op vergoeding van schade als gevolg van diezelfde planologische maatregelen. Op dit uitgangspunt behoort een uitzondering te worden gemaakt in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het besluit, maar wel aan daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen”. Uit deze uitspraak volgt inderdaad dat schade die in een planschadeprocedure is geclaimd en niet voor vergoeding in aanmerking is gekomen, bijvoorbeeld omdat deze binnen het normaal maatschappelijk risico valt, niet alsnog via het stelsel van nadeelcompensatie kan worden geclaimd. Het is altijd óf planschade óf nadeelcompensatie. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van schade die niet binnen het bereik van artikel 6.1 van de Wro valt. Voor die schade is de nadeelcompensatieregeling bedoeld en verweerder heeft dat deel van de schade ten onrechte als planschade en niet als nadeelcompensatie beoordeeld. Dit klemt te meer nu de B.V.’s niet expliciet om een tegemoetkoming in planschade hebben gevraagd en zij door de beslissing van verweerder als gevolg van de gehanteerde bouwmassa-vergelijking slechts de helft van de aan (de uitvoering) van het bestemmingsplan toegerekende schade krijgen vergoed. Bij nadeelcompensatie wordt - anders dan bij planschade, waarbij de feitelijke situatie niet relevant is - alleen naar de feitelijke situatie gekeken.
- De tegemoetkoming in planschade voor de slagerij op nihil te stellen en de nadeelcompensatie op € 312.296,00. Dat betekent een recht op nabetaling van € 93.689,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014.
- De tegemoetkoming in planschade voor de beheersmaatschappij op nihil te stellen en de nadeelcompensatie op € 12.410,00. Dat betekent een recht op nabetaling van € 3.723,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten;
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024