ECLI:NL:RVS:2019:4132
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens niet-samenwonen in strijd met Gezinsherenigingsrichtlijn
De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning van de vreemdeling ingetrokken omdat zij en de referent nooit hebben samengewoond, terwijl dit volgens de Nederlandse regelgeving een vereiste is voor een duurzame relatie. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde dat het niet-samenwonen geen zelfstandige intrekkingsgrond mag zijn volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De rechtbank had de intrekking bevestigd, stellende dat samenwoning als criterium mag worden gesteld. De Raad van State oordeelt echter dat uit de richtlijn niet volgt dat samenwoning een zelfstandig vereiste is voor gezinshereniging. Samenwonen is wel een belangrijke factor, maar niet doorslaggevend. Het verzwijgen van het niet-samenwonen is op zichzelf onvoldoende om de vergunning te weigeren.
De Raad van State vernietigt daarom het besluit tot intrekking en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat de nationale regelgeving niet in overeenstemming is met het EU-recht en dat de vreemdeling recht heeft op een herbeoordeling zonder het criterium van samenwoning als zelfstandige afwijzingsgrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.