ECLI:NL:RVS:2019:4270
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluiten inzake verstrekking en verwerking persoonsgegevens in RIEC-project
In deze zaak zijn hoger beroepen behandeld tegen uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant over besluiten van de burgemeester van Eindhoven inzake het verstrekken en verwerken van persoonsgegevens van appellanten in het kader van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) Oost-Brabant.
De appellanten hadden verzet aangetekend tegen de verstrekking van hun persoonsgegevens en verzochten om inzage en verwijdering van gegevens. De burgemeester had deze verzoeken deels afgewezen en deels ingewilligd. De rechtbank oordeelde onder meer dat het verzet niet gerechtvaardigd was en dat de verstrekte overzichten voldoende duidelijk waren. De appellanten stelden dat de rechtbank ten onrechte niet de rechtmatigheid van de gegevensverwerking had beoordeeld en dat de overzichten onvolledig waren.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht geen beoordeling van de rechtmatigheid van de verwerking in het kader van het verzet had gedaan, omdat dit niet onder artikel 40 Wbp Pro valt. Ook was de uitleg van de burgemeester over de overzichten aannemelijk. Verder werd geoordeeld dat het besluit van 14 juni 2018 op het verwijderingsverzoek wel als besluit geldt ondanks een onjuiste rechtsmiddelenclausule, en dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van dat besluit niet-ontvankelijk is. Ten slotte vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank over het niet tijdig besluiten op bezwaar en dwangsommen, bevestigde het overige en gelastte vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: De hoger beroepen worden deels gegrond verklaard, deels afgewezen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.