ECLI:NL:RVS:2019:582
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling geen machtiging tot voorlopig verblijf toekomt wegens onvoldoende bewijs partnerrelatie
De vreemdeling, met Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op basis van een kerkelijk huwelijk met een referent die een verblijfsvergunning asiel heeft. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege onvoldoende bewijs van de partnerrelatie, onder meer door tegenstrijdige verklaringen over de huwelijksdag en familieomstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de relatie niet aannemelijk was en vernietigde het besluit. De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het kerkelijk huwelijk rechtsgeldig is volgens Eritrese wetgeving en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als echtgenoot tot het gezin van de referent behoort.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft gewezen op de tegenstrijdigheden en dat het enkel samenwonen onvoldoende is om de partnerrelatie aan te nemen. Ook is het horen in bezwaar terecht achterwege gelaten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen.