ECLI:NL:RVS:2019:651
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijsnood vreemdeling bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf afgewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 mei 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af wegens onvoldoende bewijs van identiteit. De vreemdeling, met Eritrese nationaliteit, wilde verblijven bij zijn vermeende minderjarige dochter en echtgenote, die een verblijfsvergunning asiel hebben.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de identiteit van de vreemdeling niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat de echtgenote identiteitsbewijzen had overgelegd en documenten zoals een kerkelijke huwelijksakte en doopakten aanwezig waren. De rechtbank stelde ook dat de vreemdeling door een brief van de UNHCR aannemelijk had gemaakt dat hij zijn identiteitskaart kwijt was geraakt.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de bewijsnood was aangetoond. Volgens hem was niet aannemelijk dat de Ethiopische autoriteiten de identiteitskaart hadden ingenomen en waren de overgelegde documenten onvoldoende substantieel bewijs. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris dit terecht had gemotiveerd, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf blijft in stand.