ECLI:NL:RVS:2019:989

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
29 maart 2019
Zaaknummer
201807265/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 64 VreemdelingenwetArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs medische noodzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 december 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en weigerde uitstel van vertrek. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling voldoende bewijs had geleverd dat hij vanwege zijn medische toestand niet kon worden uitgezet zonder schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank had geoordeeld dat de overgelegde e-mail van een medische instelling in Nepal een begin van bewijs vormde.

De Raad van State overwoog dat het bewijs onvoldoende was, mede omdat onduidelijk was van welke functionaris de e-mail afkomstig was en niet bleek dat de vreemdeling niet elders in Nepal passende medische zorg kon krijgen. Gelet op het arrest Paposhvili van het EHRM geldt een hoge bewijsdrempel. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201807265/1/V1.
Datum uitspraak: 29 maart 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 augustus 2018 in zaak nr. NL18.433 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd hem uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet te verlenen.
Bij uitspraak van 27 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar (lees: de aanvraag) neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met het overleggen van de e-mail van 17 november 2017 van het CIWEC Hospital Pvt Ltd te Kathmandu (hierna: de e-mail respectievelijk de instelling) een begin van bewijs heeft geleverd dat de voor hem noodzakelijke medische zorg niet toegankelijk is. Gelet op de bewijslastverdeling zoals die volgt uit het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, hanteert de rechtbank hiermee volgens de staatssecretaris een onjuiste maatstaf. Over de e-mail voert hij onder meer aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, uit de bewoordingen daarvan niet volgt dat de vreemdeling niet onder de doelgroep van de instelling valt.
2.    Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling voor de behandeling van zijn medische klachten een geschikte medische behandeling en toegang tot die behandeling nodig heeft om te voorkomen dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Volgens het advies van het Bureau Medische Advisering van 12 december 2016 is die behandeling onder andere aanwezig in de instelling.
3.    In het arrest Paposhvili heeft het EHRM als volgt overwogen:
"183. The Court considers that the "other very exceptional cases" within the meaning of the judgment in N. v. the United Kingdom (§ 43) which may raise an issue under Article 3 should be understood to refer to situations involving the removal of a seriously ill person in which substantial grounds have been shown for believing that he or she, although not at imminent risk of dying, would face a real risk, on account of the absence of appropriate treatment in the receiving country or the lack of access to such treatment, of being exposed to a serious, rapid and irreversible decline in his or her state of health resulting in intense suffering or to a significant reduction in life expectancy. The Court points out that these situations correspond to a high threshold for the application of Article 3 of the Convention in cases concerning the removal of aliens suffering from serious illness.
[…]
186. In the context of these procedures, it is for the applicants to adduce evidence capable of demonstrating that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, they would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). In this connection it should be observed that a certain degree of speculation is inherent in the preventive purpose of Article 3 and that it is not a matter of requiring the persons concerned to provide clear proof of their claim that they would be exposed to proscribed treatment (see, in particular, Trabelsi v. Belgium, no. 140/10, § 130, ECHR 2014 (extracts))."
3.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, heeft de Afdeling uit punt 183 van het arrest Paposhvili afgeleid dat het EHRM heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van Pro het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen, onverminderd hoog blijft. Uit punt 186 van het arrest Paposhvili heeft de Afdeling afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat het, eerst als die vreemdeling dit bewijs, mede in relatie tot de feitelijke toegankelijkheid tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling, heeft geleverd, aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat is om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen. Dit betekent dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken.
3.2.    De staatssecretaris voert terecht aan dat onduidelijk is van welke functionaris de e-mail afkomstig is en dat uit de bewoordingen van de e-mail niet volgt dat de vreemdeling niet door deze instelling dan wel door een ander ziekenhuis in Nepal kan worden geholpen. Reeds hierom slaagt de grief.
Conclusie
4.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 december 2017 alsnog ongegrond verklaren, omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 augustus 2018 in zaak nr. NL18.433;
III.    verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019
154-899.