ECLI:NL:RVS:2020:1269
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister over paspoortaanvragen wegens strijd met evenredigheidsbeginsel Unieburgerschap
Appellant A en haar minderjarige zoon dienden bij het Nederlandse consulaat in Istanbul aanvragen in voor nationale paspoorten. De minister weigerde deze aanvragen te behandelen omdat appellant A door het verkrijgen van de Turkse nationaliteit in 2004 volgens artikel 15 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) haar Nederlandse nationaliteit had verloren, waardoor haar zoon niet automatisch Nederlander was geworden.
Appellant A voerde aan dat dit verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap in strijd was met het evenredigheidsbeginsel uit het Unierecht, en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie hadden moeten worden gesteld. De Raad van State oordeelde dat het arrest Tjebbes van het Hof van Justitie (2019) ook op deze zaak van toepassing is en dat de minister niet had getoetst of het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen had voor appellant A en haar zoon.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de minister binnen vier maanden een nieuw besluit moet nemen, waarbij de gevolgen van het nationaliteitsverlies in het licht van het evenredigheidsbeginsel moeten worden onderzocht. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt dat de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel moet plaatsvinden op het moment van het nationaliteitsverlies, rekening houdend met zowel de toen bestaande als redelijkerwijs voorziene gevolgen voor de betrokkenen, met bijzondere aandacht voor het belang van het gezin en het kind zoals gewaarborgd in het Handvest van de Europese Unie.
Uitkomst: Het besluit van de minister om de paspoortaanvragen niet in behandeling te nemen is vernietigd vanwege onvoldoende toetsing aan het evenredigheidsbeginsel uit het Unierecht.