ECLI:NL:RVS:2021:1896
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen invordering dwangsom wegens niet tijdige jaarverantwoording zorginstelling
CardioZorg heeft niet tijdig de Jaarverantwoording Zorg over 2018 aangeleverd, ondanks een last onder dwangsom opgelegd door de minister voor Medische Zorg. De minister heeft vervolgens de verbeurde dwangsom van €5.000,- ingevorderd. CardioZorg stelde dat zij de last onder dwangsom en het invorderingsvoornemen niet had ontvangen en dat zij de jaarverantwoording op 19 juni 2019 wel tijdig had ingediend.
De Raad van State oordeelt dat de stukken aangetekend en naar het juiste adres zijn verzonden en dat CardioZorg geen feiten heeft gesteld die redelijkerwijs betwijfelen dat een afhaalbericht is achtergelaten. De inhoudelijke beoordeling van de jaarverantwoording wijst uit dat deze incompleet was, waardoor de last terecht is opgelegd en de dwangsom is verbeurd.
Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval dat afwijkt van de vaste jurisprudentie, zodat gronden tegen de last onder dwangsom niet in de invorderingsprocedure kunnen worden aangevoerd. Ook bijzondere omstandigheden die invordering zouden kunnen verhinderen zijn niet aannemelijk gemaakt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van CardioZorg tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard.