ECLI:NL:RVS:2020:1336
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling schadevergoeding en overschrijding redelijke termijn bij aanleg A74 en aanpassing A73-Zuid
De appellant, eigenaar van een woning nabij de A73-Zuid te Venlo, verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding op grond van de Tracéwet vanwege waardevermindering van zijn woning door de aanleg van de A74 en aanpassingen aan de A73-Zuid.
De minister wees het verzoek aanvankelijk af, waarna de rechtbank Limburg het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. Dit leidde tot een nieuw besluit in 2018, dat eveneens werd aangevochten. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde dit besluit en gaf de minister opdracht een nieuw besluit te nemen, waarbij een taxatie moest worden verricht.
De taxateur concludeerde een waardevermindering van €5.000, wat lager was dan de drempel van 2% van de woningwaarde (€7.000), zodat de schade onder het normale maatschappelijke risico viel. De appellant voerde aan dat het taxatierapport ondeugdelijk was en overlegd een contra-expertise die een hogere schade vaststelde. De Afdeling oordeelde dat het taxatierapport in redelijkheid aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd en wees het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 af.
Daarnaast werd een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna een jaar, vastgesteld op €1.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 wordt ongegrond verklaard; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten.