ECLI:NL:RVS:2020:1618
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom tegen illegaal verblijf in caravans in Amsterdam
Het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Nieuw-West legde op 9 maart 2018 aan [appellante] een preventieve last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang op vanwege het illegaal overnachten in caravans op gemeentelijk terrein. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank Amsterdam dat het college bevoegd was tot handhaving en dat [appellante] artikel 2.20 van de APV had overtreden. Het hoger beroep bij de Raad van State richtte zich op de vraag of het college terecht handhavend optrad en of er bijzondere omstandigheden waren die handhaving in de weg stonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college voldoende inspanningen verricht om woonwagenstandplaatsen te realiseren en dat [appellante] zelf de huurovereenkomst aan de Riekerweg niet was nagekomen. Er was geen sprake van toezeggingen die vertrouwen konden wekken op legalisatie. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de medische situatie van een van de appellanten faalden. De Raad bevestigde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat de last onder dwangsom terecht was opgelegd.
Ten aanzien van de invorderingsbesluiten stelde de Afdeling vast dat op 9 december 2019 niet was gebleken dat [appellante] had geslapen in de caravan, zodat voor die datum geen dwangsommen verschuldigd waren. Voor 19 februari 2020 was wel vastgesteld dat er was overnacht, waardoor de dwangsommen terecht waren opgelegd, maar de hoogte van het bedrag werd verlaagd van € 5.000 naar € 2.500 per besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invorderingsbesluiten worden vernietigd voor zover het bedrag te hoog is vastgesteld, met een proceskostenvergoeding aan [appellante].