Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
Informatieplicht
Over invorderingsbesluit 1
Over invorderingsbesluit 2
De verbalisant liep naar het winkelschap waar eiser het flesje had weggezet en stelde vast dat het om een flesje bier van het merk Guinness Special Export ging (alcoholvolume van 8% en inhoud 33 cl). Hij zag dat meerdere mensen uit zulke flessen dronken, waarna hij vaststelde dat er alcohol werd gedronken in de supermarkt. Ook zag hij dat er meerdere lege flessen waren weggezet in de schappen tussen de levensmiddelen.
De verbalisant heeft eiser gevraagd om mee naar buiten te lopen en heeft daar met hem gesproken. Daarbij werden zij vervelend bejegend door een man die zichtbaar en ruikbaar teveel alcohol had gedronken. Eiser heeft verklaard:
- Ik weet dat het niet mag;
- We hebben een feestje;
- Het is gewoon gezellig;
- Die jongens hebben ergens anders veel gedronken en niet bij mij.
Bij het proces-verbaal zijn zwart-witfoto’s gevoegd, waaronder een foto van een flesje Guinness en op de achtergrond meer flesjes.
Over invorderingsbesluit 3
De rechtbank komt tot de conclusie dat zij aanhouding van het beroep in dit stadium van de procedure niet aangewezen vindt. Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is dat deze procedure al lange tijd in beslag neemt en dat eiser hierover op de zitting ook heeft geklaagd. Hij verkeert al lange tijd in onzekerheid over de geldigheid van de last onder dwangsom. Het is ook de vraag hoe lang de procedure, gelet op alle onduidelijkheid op dit moment, verder gaat duren en of daarin dan ook een mogelijk vierde invorderingsbesluit zal moeten worden betrokken, wat verweerder volgens eiser van plan is te nemen. De tweede reden is dat de rechtbank op dit moment zo weinig informatie van partijen heeft over invorderingsbesluit 3 dat ook niet geheel zeker is dat het hier om een besluit gaat dat inderdaad voortvloeit uit de last onder dwangsom die hier is besproken.
De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder een beslissing moet nemen over het bezwaar dan wel de betwisting gericht tegen invorderingsbesluit 3 en zij maakt daarvoor zo nodig gebruik van artikel 5:39, tweede lid, van de Awb.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank merkt daarbij op dat de termijn in de beroepsfase door de rechtbank weliswaar niet is overschreden, maar dat de procedure door het gebrek aan medewerking van de kant van verweerder wel ernstig is vertraagd. Doordat verweerder bij herhaling niet heeft voldaan aan de informatieverplichting, heeft ook de planning van de zitting namelijk vertraging opgelopen. De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen in de betaling van € 500,- schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Samenvatting
Beslissing
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-;