ECLI:NL:RVS:2020:1755
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid en evenredigheid van sluiting woning op grond van Opiumwet
De burgemeester van Rotterdam legde aan appellant een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet, waarmee de woning voor zes maanden werd gesloten vanwege de aanwezigheid van harddrugs die bestemd waren voor handel. De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering over de evenredigheid van de resterende sluitingsduur.
In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, omdat de hoeveelheid aangetroffen drugs de gebruikershoeveelheid overschrijdt en er aanwijzingen zijn voor handel, zoals de aanwezigheid van weegschalen en handschoenen. De rechtbank heeft ten onrechte de resterende sluitingsduur als toetsingsmoment genomen in plaats van het moment van het besluit op bezwaar.
De Raad stelt dat het tijdsverloop en de omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het hoger beroep van de burgemeester wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar worden vernietigd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de burgemeester gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij de sluiting van de woning wordt bevestigd.