ECLI:NL:RVS:2020:1991
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van gedeeltelijke weigering openbaarmaking documenten op grond van Wet openbaarheid van bestuur
Appellant verzocht de minister van Justitie en Veiligheid om alle schriftelijke communicatie en interne e-mails over hem openbaar te maken, naar aanleiding van een negatieve ervaring met een telefoniste. De minister kwalificeerde dit als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en maakte een document gedeeltelijk openbaar, waarbij persoonsgegevens en persoonlijke beleidsopvattingen werden afgeschermd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze gedeeltelijke openbaarmaking, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling behandelde de zaak op 5 augustus 2020.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht geheimhouding toepaste conform het procesreglement bestuursrecht en dat dit niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, omdat het hier gaat om een Wob-procedure met een algemeen belang bij openbaarmaking. Omdat appellant geen toestemming gaf voor inzage van de niet-openbaar gemaakte stukken, kon de Afdeling niet toetsen of de minister terecht informatie afschermde. De motivering van de minister was toereikend en appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er meer documenten zijn dan openbaar gemaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.