ECLI:NL:RVS:2020:2392
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging procedure intrekking verblijfsvergunning
Appellante, houder van de Surinaamse nationaliteit, legde op 14 maart 2016 een optieverklaring af voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. Zij verklaarde alle relevante gegevens te hebben verstrekt, maar verzweeg dat er een procedure liep tot intrekking van haar verblijfsvergunning. De staatssecretaris trok daarop op 11 januari 2018 haar Nederlanderschap in, omdat zij een relevant feit had verzwegen dat van belang was voor de beoordeling van haar optieverzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overweegt dat het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning een relevant gegeven is dat gemeld had moeten worden, omdat het twijfel oproept over haar toelating voor onbepaalde tijd zoals vereist in de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Appellante voerde diverse verweren aan, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel en een onevenredigheidsbeoordeling op grond van Unierecht, maar deze werden verworpen. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt en dat de intrekking van het Nederlanderschap niet willekeurig is en voldoet aan de wettelijke waarborgen.
De Raad van State bevestigt daarmee de intrekking van het Nederlanderschap en wijst het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellante wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.