ECLI:NL:RVS:2020:2411
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 augustus 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 11 februari 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 6 september 2019 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk had gemotiveerd dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd van haar identiteit. De Afdeling wees op eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat de staatssecretaris zich terecht baseerde op rapporten en dat de vreemdeling geen concrete twijfelpunten had aangedragen.
Verder concludeerde de Afdeling dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat de staatssecretaris niet alle relevante elementen had betrokken en aanvullend onderzoek had moeten aanbieden. De Afdeling stelde dat de staatssecretaris de verklaringen en documenten van de vreemdeling wel degelijk had betrokken en dat de afwijzing mede gebaseerd was op een contra-indicatie wegens valsheid van huwelijksverklaringen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.