ECLI:NL:RVS:2018:1639
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Bij besluiten van 26 april 2016 heeft de staatssecretaris de aanvragen van vijf Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie met een in Nederland verblijvende referent. De vreemdelingen stelden dat de referent hun dochter is en dat zij in bewijsnood verkeren vanwege de situatie in Eritrea. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond en oordeelde dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij in bewijsnood verkeerden.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de rechtbank de motivering van de staatssecretaris ten onrechte als deugdelijk had beoordeeld en dat de bewijsnood gegrond was vanwege de totalitaire staat Eritrea en het gevaar van postcontrole. De staatssecretaris lichtte toe dat hij officiële documenten eist voor identiteit en familierechtelijke relatie, maar dat hij onofficiële documenten kan betrekken en aanvullend onderzoek kan aanbieden indien bewijsnood aannemelijk is.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vreemdelingen onvoldoende bewijsnood hebben aangetoond, maar dat de staatssecretaris de besluiten ondeugdelijk heeft gemotiveerd omdat hij onofficiële documenten niet heeft betrokken en aanvullend onderzoek niet heeft aangeboden conform zijn gewijzigde vaste gedragslijn. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond. De besluiten van 16 februari 2017 worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis en de besluiten worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.