ECLI:NL:RVS:2020:2624
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding heffingsvrij vermogen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de intrekking van een eerder verleende toevoeging voor rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De toevoeging werd ingetrokken omdat de civiele procedure voor appellant resulteerde in een vordering van €26.309,00, wat hoger is dan 50% van het heffingsvrije vermogen van €12.500,00, zoals bepaald in artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de intrekking niet-ontvankelijk wegens te late indiening en oordeelde dat er geen zwaarwegende omstandigheden waren om van invordering af te zien. Appellant stelde dat hij het besluit niet had ontvangen en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, maar dit werd door de Raad van State verworpen omdat de raad aannemelijk had gemaakt dat het besluit naar het juiste adres was verzonden.
Verder vorderde de raad de vergoeding die aan de voormalig rechtsbijstandverlener was betaald, maar heeft de raad later besloten deze vordering niet meer te innen vanwege de financiële situatie van appellant. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover het deze vordering betreft. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan procesbelang. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging wordt bevestigd en het hoger beroep wordt deels niet-ontvankelijk verklaard; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.