ECLI:NL:RVS:2020:2683
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inschrijving niet-bestaand adres
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht schreef appellant per 5 april 2018 in op een niet-bestaand adres en nam hierover een besluit op 19 april 2018. Appellant maakte op 9 augustus 2018 bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zeswekentermijn volgens artikel 6:7 Awb Pro.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring, maar appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk op 19 april 2018 naar appellant was verzonden, omdat het besluit niet aangetekend was en er geen bewijs was van daadwerkelijke verzending.
Omdat appellant het besluit pas op 25 juli 2018 bekend was gemaakt, was het bezwaar binnen zes weken na die datum ingediend en had het college het bezwaar niet-ontvankelijk mogen verklaren. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, verklaarde het bezwaar gegrond en gelastte het college tot inhoudelijke beoordeling. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant is gegrond verklaard en het college moet het bezwaar inhoudelijk beoordelen.