ECLI:NL:RVS:2020:2855
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting bijhouding persoonslijst wegens woonfraude na gedegen adresonderzoek
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de bijhouding van de persoonslijst van appellant in de Basisregistratie Personen (BRP) opgeschort vanwege vermoedelijke woonfraude. Dit volgde op een melding van de wijkagent en een daaropvolgend adresonderzoek waarbij bleek dat appellant niet op het geregistreerde adres woonde en geen ander woonadres had opgegeven.
Appellant stelde dat het adresonderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat de politie zonder huiszoekingsbevel handelde en de verklaring van een vermeende broer onjuist was weergegeven. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en het college terecht tot opschorting was overgegaan.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak. Het college heeft het adresonderzoek conform het geldende protocol uitgevoerd, waaronder het benaderen van appellant, raadplegen van diverse bronnen en feitelijke huisbezoeken. Ondanks de verklaring van appellant dat hij op het adres woonde, kon het college op basis van verklaringen van een buurman en zijn broer en het feit dat appellant niet werd aangetroffen, redelijk concluderen dat hij niet op het adres woonde.
De Raad van State stelt dat de drie cumulatieve vereisten van artikel 2.22 van de Wet BRP zijn vervuld en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de opschorting van de bijhouding van de persoonslijst van appellant wegens woonfraude na een zorgvuldig adresonderzoek.