ECLI:NL:RVS:2020:5
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens verwijtbaar handelen en beperkte woningvoorraad in Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep tegen de afwijzing van een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Appellante, een alleenstaande moeder met minderjarige kinderen, had de urgentieverklaring aangevraagd na beëindiging van haar relatie en verblijf in noodopvang. Het college wees de aanvraag af omdat zij de voormalige woning niet had opgeëist en zich niet als medehuurder had laten erkennen, waardoor het huisvestingsprobleem als verwijtbaar werd aangemerkt.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat appellante niet voldeed aan de beleidsregels voor urgenties en dat haar situatie niet uitzonderlijk genoeg was voor toepassing van de hardheidsclausule. Appellante voerde aan dat zij vanwege dreigende agressie de woning niet durfde op te eisen en dat zij dakloos was, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De Raad van State overwoog dat artikel 8 EVRM Pro geen recht op woonruimte garandeert en dat het college een afweging mocht maken tussen het individuele belang en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. De verwijtbaarheid en de schaarste aan sociale woningen rechtvaardigden de afwijzing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.