ECLI:NL:RVS:2020:588
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verbod op hotelmatig gebruik van appartementen in strijd met bestemmingsplan Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 14 december 2016 een last onder bestuursdwang op aan de eigenaar van elf appartementen aan de [locatie A] te Amsterdam, wegens het gebruik van deze appartementen als hotel of short stay, wat in strijd is met het bestemmingsplan "Zuidelijke binnenstad". De rechtbank verklaarde het bezwaar van de eigenaar tegen dit besluit gegrond voor zover het gebruik als short stay betreft, maar bevestigde het verbod op hotelmatig gebruik.
De eigenaar stelde in hoger beroep dat het gebruik van de appartementen moet worden aangemerkt als wonen, ook al is het tijdelijk en kortdurend, omdat de appartementen zelfstandige voorzieningen hebben en de huurders niet als hotelgasten worden behandeld. De Raad van State oordeelde dat het verblijf van toeristen slechts kortdurend en niet duurzaam is, zonder inschrijving in de Basisregistratie Personen, en dat het gebruik daarom niet als wonen kan worden aangemerkt.
Verder stelde de eigenaar dat het gebruik beschermd zou zijn door overgangsrecht omdat hij sinds 1983 vergunningen had voor woonverblijfsinrichting. De Raad van State stelde vast dat sinds 2014 het beheer en de exploitatie gewijzigd zijn en het huidige hotelmatig gebruik niet onder het overgangsrecht valt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van de appartementen als hotel in strijd is met het bestemmingsplan en dat de last onder bestuursdwang gehandhaafd blijft zonder het onderdeel short stay.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verbod op hotelmatig gebruik van de appartementen wordt bevestigd.