ECLI:NL:RVS:2020:666
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake omgevingsvergunning bouw vrijstaande woning in Hoek van Holland
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 3 juli 2017 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaande woning op een perceel nabij Hoek van Holland. Omwonenden, partijen sub 1 en sub 2, maakten bezwaar tegen deze vergunning. De rechtbank stelde hen in het gelijk en vernietigde het besluit van het college, omdat volgens de rechtbank een aanhoudingsplicht gold op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wabo.
Het college en appellant sub 2 gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de aanhoudingsplicht nog gold op het moment van het besluit van 16 februari 2018. De Afdeling stelde vast dat de aanhoudingsplicht verviel omdat de gemeenteraad niet binnen de wettelijke termijn van twaalf weken na terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan had besloten over de vaststelling van het bestemmingsplan.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat andere door appellant sub 2 aangevoerde gronden, zoals het betoog over archeologische waarden en de Wet natuurbescherming, niet tot vernietiging van het besluit konden leiden. Het bestemmingsplan was inmiddels vastgesteld en onherroepelijk, waardoor het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan.
De Afdeling verklaarde de hoger beroepen gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt vernietigd en de beroepen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning worden ongegrond verklaard.