ECLI:NL:RVS:2021:164
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tegen gebruik pand als cateringbedrijf in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellant een last onder dwangsom op om het gebruik van een pand als cateringbedrijf te beëindigen, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan "Laakwijk - Schipperskwartier". De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat er geen sprake was van een impliciete vrijstelling via een bouwvergunning uit 2010. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen en waren geen bijzondere omstandigheden die handhaving konden verhinderen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het gebruik niet strijdig is met het bestemmingsplan en dat de bouwvergunning wel een impliciete vrijstelling inhoudt. Ook stelde hij dat toezeggingen van ambtenaren het gebruik zouden rechtvaardigen en dat vergelijkbare panden als horeca worden gebruikt. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de bouwvergunning niet wees op cateringgebruik en het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk was gemaakt.
Verder werd het betoog over gelijke behandeling buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. De Afdeling bevestigde dat de dwangsom van € 2000 in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang en de beoogde werking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving tegen het gebruik als cateringbedrijf bevestigd.