ECLI:NL:RVS:2021:191
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in nareisprocedure pleegkind
De vreemdeling, geboren in 2004, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om herenigd te worden met een minderjarige referent die een asielvergunning heeft. Zij stelde dat zij het pleegkind was van de moeder van de referent en vroeg verblijf bij familie en gezin. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie, met name het ontbreken van documenten die haar identiteit, die van haar ouders en hun overlijden bevestigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de nareisprocedure niet van toepassing was. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de werkinstructie 2018/20 wel van toepassing was en dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op een arrest van het Hof van Justitie niet had meegewogen. De Afdeling oordeelde dat de werkinstructie juist wel van toepassing is op pleegkinderen in de nareisprocedure en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat deze niet van toepassing was.
Desondanks bevestigde de Afdeling het oordeel dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de vereisten, omdat zij geen officiële documenten overlegde en onvoldoende inspanningen had verricht om deze te verkrijgen. Ook het latere overleggen van een toestemmingsverklaring van de vader van de referent kon niet worden betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.