ECLI:NL:RVS:2021:1957
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.J.M. Baldinger
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen met matiging na hoger beroep
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [wederpartij], handelend onder de naam [bedrijf A], een boete van € 8.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Dit betrof het niet tijdig uitbetalen van loon aan kennismigranten, waarbij het loon over januari 2018 pas op 16 maart 2018 werd betaald.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het boetebesluit en oordeelde dat [wederpartij] had voldaan aan het looncriterium. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het loon maandelijks giraal moet worden uitbetaald en dat de late betaling niet voldoet aan het looncriterium, waardoor sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav.
De Afdeling matigde de boete echter aanzienlijk vanwege het ontbreken van financieel voordeel, het verzoek van de vreemdeling om uitstel van betaling, het feit dat de overige kennismigranten wel tijdig werden betaald, en eerdere controles zonder overtredingen. Tevens werd de boete met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Uiteindelijk stelde de Afdeling de boete vast op € 1.900,- en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op € 1.900,- na matiging en vermindering wegens omstandigheden en termijnoverschrijding.