ECLI:NL:RVS:2021:2002
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep huurtoeslag 2017
Bij besluit van 31 december 2018 stelde de Belastingdienst de huurtoeslag van appellant over 2017 definitief op nihil, omdat het gezamenlijke inkomen met zijn toeslagpartner hoger was dan de inkomensgrens. Appellant maakte bezwaar, dat deels werd gehonoreerd door een nabetaling buiten beschouwing te laten, maar het bezwaar werd verder ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar deed dit zonder dat de rechter die de zaak op zitting had behandeld de uitspraak ondertekende, wat in strijd is met de Awb.
Appellant stelde dat de rechtbank de zaak niet op zitting had behandeld en dat zijn financiële gegevens onjuist waren beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank vanwege het ontbreken van ondertekening door de behandelende rechter en behandelde de zaak zelf. De Afdeling oordeelde dat het inkomen van de toeslagpartner terecht was vastgesteld op het door de inspecteur vastgestelde toetsingsinkomen minus de nabetaling, wat resulteerde in een gezamenlijk inkomen boven de inkomensgrens.
Daarmee was het beroep van appellant ongegrond. De Afdeling veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Tevens wees zij op de mogelijkheid voor appellant om een betalingsregeling te treffen bij invordering van teveel ontvangen huurtoeslag.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst over de huurtoeslag 2017 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.