Uitspraak
Datum uitspraak: 8 september 2021
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft bij besluit van 11 februari 2019 aan appellant gelast het gebruik van zijn perceel in Utrecht, dat in strijd was met het bestemmingsplan, te staken en geconstateerde gebreken aan het pand te herstellen. Appellant had het pand verhuurd aan diverse kleine bedrijven, waaronder kappers en kunstnijverheidsbedrijven. Na een controle constateerden inspecteurs dat het gebruik van het perceel niet overeenkwam met het bestemmingsplan en dat er bouwkundige gebreken waren.
Appellant vroeg op 4 april 2019 een omgevingsvergunning aan voor gebruikswijziging ten behoeve van ondergeschikte detailhandel en commerciële dienstverlening. Het college wees deze aanvraag af omdat commerciële dienstverlening niet was toegestaan en detailhandel slechts beperkt tot handel in voertuigen. Het college volgde het advies van een Toetsteam en handhaafde het besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en oordeelde dat het college zich in redelijkheid op het standpunt had gesteld dat afwijking van het bestemmingsplan niet wenselijk was.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom commerciële dienstverlening niet was toegestaan en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat elders op het bedrijventerrein afwijkende functies wel waren toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college de weigering van de vergunning deugdelijk had onderbouwd, ook in het licht van de Dienstenrichtlijn. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden. De handhaving van het bestemmingsplan en de weigering van de omgevingsvergunning zijn daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.