ECLI:NL:RVS:2021:2279
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- C.C.W. Lange
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over verlies duurzaam verblijfsrecht bij langdurige afwezigheid en korte bezoeken
De zaak betreft een Britse burger die tussen 1993 en 2009 in Nederland woonde en sinds 2009 in het Verenigd Koninkrijk studeert en werkt. Zij heeft een duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkregen, maar de staatssecretaris stelde vast dat zij dit recht verloor vanwege een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland.
De vreemdeling bezocht Nederland jaarlijks kortdurend, maar woonde en werkte in het VK, waardoor het centrum van haar belangen daar ligt. De rechtbank oordeelde dat deze korte bezoeken onvoldoende zijn om het verlies van het verblijfsrecht te voorkomen, omdat de integratie in Nederland onvoldoende is.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de richtlijn restrictief moet worden uitgelegd en dat elke fysieke aanwezigheid in Nederland het ononderbroken karakter van de afwezigheid doorbreekt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet echter onduidelijkheid in de jurisprudentie en vraagt het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over de betekenis van 'afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren' en de criteria voor het doorbreken daarvan.
De behandeling van het hoger beroep is geschorst totdat het Hof uitspraak doet. De zaak raakt ook aan het belang van het verblijfsrecht na de Brexit en de interpretatie van integratievereisten in de Verblijfsrichtlijn.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en de Raad van State verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over het verlies van duurzaam verblijfsrecht bij langdurige afwezigheid met korte bezoeken.