ECLI:NL:RVS:2021:2747
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing waterwetvergunning voor bouw dijkwoningen in primaire waterkering
Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland verleende op 11 maart 2019 een waterwetvergunning voor de bouw van twee dijkwoningen en het plaatsen van keerwanden op een perceel in Ophemert, deels gelegen in de primaire waterkering. Appellant, wonend tegenover het perceel, maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege aantasting van de dijkveiligheid, het uitzicht en de verkeersveiligheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het hoger beroep bij de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de bezwaren over uitzicht en verkeersveiligheid niet tot vernietiging kunnen leiden omdat deze geen weigeringsgrond vormen onder de Waterwet.
Hoewel de beleidsregels Keur 2014 nieuwbouw in de waterkering verbieden, is het college op grond van artikel 4:84 Awb Pro bevoegd om af te wijken bij bijzondere omstandigheden. Het college stelde dat slechts een gering deel van de dijk wordt geraakt, het perceel breder is dan gebruikelijk, en dat het perceel is opgehoogd conform het profiel van vrije ruimte voor toekomstige dijkversterking. Ook zijn er voorschriften opgenomen om de veiligheid te waarborgen.
De Afdeling concludeert dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de waterkerende functie niet wordt aangetast en dat de afwijking van de beleidsregels gerechtvaardigd is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waterwetvergunning voor de bouw van twee dijkwoningen blijft in stand.