ECLI:NL:CBB:2022:372
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing diergezondheidsheffing 2018 en overschrijding redelijke termijn
Appellante betwistte de diergezondheidsheffing 2018, opgelegd op basis van de gewijzigde Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, omdat zij meent dat de heffing onevenredig is voor ruikippen die zij heeft aangeschaft na de fipronilcrisis. Het College overweegt dat de wetgever een collectief heffingsstelsel hanteert waarbij alle pluimveehouders bijdragen aan de bestrijding van dierziekten, ongeacht hun individuele situatie. Er is geen bijzondere omstandigheid die een afwijking van deze systematiek rechtvaardigt.
Daarnaast is het beroep gericht tegen de hoogte van de tarieven, die volgens appellante onevenredig zijn voor ruikippen. Het College stelt vast dat de tarieven zijn vastgesteld na overleg met de pluimveesector en dat de negatieve gevolgen voor pluimveehouders voldoende zijn betrokken. Er is geen grond om de tarieven als onrechtmatig te beoordelen.
Ten slotte constateert het College dat de behandeling van het beroep de redelijke termijn van twee jaar heeft overschreden met bijna vier maanden. Omdat de overschrijding volledig aan het College is toe te rekenen, wordt de Staat veroordeeld tot betaling van € 500 aan appellante als vergoeding voor immateriële schade. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de diergezondheidsheffing 2018 wordt ongegrond verklaard, maar de Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.