Uitspraak
Datum uitspraak: 10 maart 2021
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde op 3 december 2018 een bestuurlijke boete van €5.000,- op aan het kinderdagverblijf vanwege onvoldoende beroepskrachten aanwezig in verhouding tot het aantal kinderen op 5 en 12 juni 2018. Deze overtredingen werden geconstateerd tijdens inspecties en bleken onvoldoende hersteld ten opzichte van een eerdere constatering in 2017.
Het kinderdagverblijf voerde aan dat op 5 juni 2018 tussen 7:30 en 7:45 uur geen overtreding was en dat er geen sprake was van recidive vanwege wetswijzigingen. Tevens werd betoogd dat de afwijkingstijd binnen de toegestane drie uur bleef en dat de boete disproportioneel was gezien de omstandigheden.
De Raad van State oordeelde dat de overtredingen op 5 en 12 juni tussen 8:00 en 8:30 uur wel degelijk plaatsvonden en dat het college bevoegd was de boete op te leggen. De norm van voldoende beroepskrachten was niet gewijzigd ondanks wetswijzigingen. Ook was de boete proportioneel en hield het college rekening met de ernst en verwijtbaarheid. Het verzoek tot matiging en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €5.000,- wegens overtreding van de beroepskracht-kindratio wordt bevestigd.