ECLI:NL:RBMNE:2021:2852

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
UTR 21/2039
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 35 WjsgArt. 79 Besluit personenvervoer 2000Art. 81 Besluit personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur

Verzoeker, een taxichauffeur, heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die door de Minister voor Rechtsbescherming is afgewezen op basis van strafbare feiten vermeld in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS). Deze feiten omvatten onder meer overtredingen zoals rijden onder invloed, rijden tijdens rijontzegging, hennepteelt, diefstal met braak en overtredingen van de Wet wapens en munitie.

Verzoeker betoogde dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar de omstandigheden van de strafbare feiten en verwees naar jurisprudentie die nader onderzoek zou vereisen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de Minister terecht heeft geweigerd omdat de strafbare feiten, ook indien nog niet onherroepelijk, voldoende grond vormen om een VOG te weigeren gezien de aard van het taxichauffeursberoep.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker geen aanleiding geven tot een afwijkende belangenafweging. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2039

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. U. Özcan),

en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoeker is taxichauffeur en wil een chauffeurskaart aanvragen bij Kiwa Register B.V.. Voor deze aanvraag moet hij beschikken over een VOG. Op 11 maart 2021 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.
4. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) blijkt dat over verzoeker strafbare feiten zijn vermeld. Het gaat om:
  • het overschrijden van de maximumsnelheid;
  • het opzettelijk handelen van hennepteelt, diefstal met braak en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • het rijden onder invloed;
  • het rijden gedurende een rijontzegging;
  • het opgeven van een valse naam;
  • het als bestuurder niet hanteren van de chauffeurskaart voor een deugdelijke registratie; en
  • het overtreden van de Wet wapens en munitie, poging tot afdreiging en schuldheling.
Als deze feiten zouden worden herhaald, staat dat volgens verweerder een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden als taxichauffeur in de weg [1] . Verder ziet verweerder in de (persoonlijke) omstandigheden van verzoeker geen aanleiding om, ondanks de vermelde strafbare feiten, toch een VOG af te geven.
5. Verzoeker voert aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten die in het JSD over hem staan vermeld. Volgens verzoeker had verweerder bij het openbaar ministerie informatie moeten opvragen over de feiten en omstandigheden waaronder de genoemde feiten zouden zijn begaan. Ter onderbouwing verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [2] .
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de afgifte van de VOG heeft mogen weigeren.
6.1.
Verweerder heeft terecht gesteld dat over verzoeker strafbare feiten bekend zijn die, als zij worden herhaald, niet zijn te verenigen met de functie van taxichauffeur. Verweerder heeft zich hiervoor terecht gebaseerd op de in het JDS vermelde gegevens. Uit het JDS blijkt onder meer het overschrijden van de maximumsnelheid, het rijden onder invloed, het rijden gedurende een rijontzegging en het niet hanteren van de chauffeurskaart voor een deugdelijke registratie. Deze feiten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij uitstek niet te verenigen met de functie van taxichauffeur. Dat sommige van deze feiten nog open staan of niet onherroepelijk zijn, betekent niet dat verweerder zijn besluit hier niet op mag baseren. De weigering van een VOG kan namelijk ook op de enkele verdenking van een strafbaar feit worden gebaseerd [3] .
6.2.
Over het feit dat verzoeker de maximumsnelheid heeft overtreden, heeft verweerder bij het Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) informatie opgevraagd. Het CVOM heeft meegedeeld dat verzoeker op of omstreeks 3 mei 2020 in Almere op de A6 de toegestane maximumsnelheid (100 kilometer per uur) met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden. Dat uit de informatie niet kan worden herleid op welk tijdstip de overtreding heeft plaatsgevonden, vindt de voorzieningenrechter niet relevant.
6.3.
Dat de registratie over de veroordeling van het rijden onder invloed evident onjuist is, volgt de voorzieningenrechter niet. Zoals hiervoor is uitgelegd, mag verweerder uitgaan van de informatie uit het JDS. Hieruit blijkt dat verzoeker in hoger beroep is veroordeeld en die uitspraak op 27 augustus 2020 onherroepelijke is geworden. De strafrechter heeft kennelijk geen aanleiding gezien om tot vrijspraak of een lagere straf uit te komen [4] . Dat verzoeker het inhoudelijk niet eens is met de veroordeling, maakt niet dat de informatie uit het JDS hierover niet klopt. Verzoeker is voor dit feit veroordeeld. Als verzoeker van mening is dat deze gegevens geen betrekking op hem hebben, staat het hem vrij om zich te wenden tot de Justitiële Informatiedienst met het verzoek de onjuiste gegevens te verwijderen.
6.4.
Dat verweerder niet zou weten wat de overtreding van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 inhoudt en hier lukraak een conclusie aan verbindt, volgt de voorzieningenrechter ook niet. Het artikel verwijst naar de zorgplicht die een taxichauffeur heeft om ervoor te zorgen dat de boordcomputer in de auto bepaalde gegevens goed registreert [5] . Verzoeker heeft dit artikel overtreden en heeft een geldboete opgelegd gekregen.
6.5.
Dat verzoeker via Uber werkt en hij niet omgaat met contante en/of girale waarden, is op geen enkele wijze onderbouwd.
7. Verder heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan het feit dat verzoeker in eerste aanleg is veroordeeld wegens het opzettelijk handelen van hennepteelt. De enkele stelling van verzoeker dat hij nooit met justitie in aanraking is geweest voor het verhandelen van drugs, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om hier waarde aan toe te kennen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat overtredingen van de Opiumwet naar hun aard niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur. Door het telen van hennep is verzoeker in het drugscircuit betrokken en loopt hij het risico te worden aangespoord om drugs te gaan verhandelen [6] . Ook het feit dat verzoeker is veroordeeld voor diefstal met braak en voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft verweerder mogen betrekken in zijn besluitvorming. Gelet op het door verweerder toegepaste screeningsprofiel, is diefstal een risico dat bestaat in de taxibranche [7] . De enkele stelling dat verzoeker werkt via Uber en niet omgaat met contante en/of girale waarden, maakt het voorgaande niet anders.
8. Verder heeft verweerder in de (persoonlijke) omstandigheden van verzoeker geen aanleiding hoeven zien om alsnog over te gaan tot afgifte van een VOG. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende kenbaar gemaakt welke belangen een rol spelen en waarom een belangenafweging niet in het voordeel van verzoeker uitvalt. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten dat verweerder niet alle belangen heeft meegenomen óf dat de uitkomst van de belangenafweging niet door de beugel kan.
9. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet juist is. Het ziet er niet naar uit dat bezwaar van verzoeker, zoals dat nu voorligt, kans van slagen heeft en leidt tot een andersluidend besluit.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
2.De uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:205)
3.Zie de uitspraak van de ABRvS van 7 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:744).
4.Zie de (door verweerder aangehaalde) uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:2282).
5.Artikel 79, derde tot en met vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000.
6.Zie ro. 2.5.1. van de uitspraak van de ABRvS van 13 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW8150).
7.Zie ro. 5.3. van de de uitspraak van de ABRvS van 17 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:563).