ECLI:NL:RVS:2021:908
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen wegens evident onredelijkheid
Bij besluit van 7 maart 2016 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellante een boete van € 8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en stelde geen beroep in, waardoor de boete in rechte vaststond. Later verzocht appellante om heroverweging van de boete, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Afdeling waarin een soortgelijke boete aan een ander bedrijf in dezelfde keten ten onrechte werd opgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de weigering van de staatssecretaris om terug te komen op het boetebesluit evident onredelijk is. Dit volgt uit de jurisprudentie dat een rechterlijke uitspraak geen nieuw feit is, maar in dit geval is de bijzondere omstandigheid dat uit verklaringen niet is gebleken dat de vreemdeling onder gezag van appellante stond. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris van 29 januari 2019, en gelast dat de staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaart en de boete intrekt.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 28 april 2021 door voorzitter Troostwijk en leden Hoogvliet en Baldinger.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd wegens evident onredelijkheid en de boete wordt ingetrokken.