ECLI:NL:RVS:2021:967
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens coronamaatregelen onrechtmatig te lang voortgezet
De vreemdeling uit Colombia werd op 26 oktober 2020 bij aankomst op Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd vanwege het coronavirus en kreeg een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Omdat er geen directe terugvlucht beschikbaar was, verbleef zij in detentie. Na een eerste quarantaineperiode vanwege een besmette kamergenoot, kreeg zij opnieuw een kamergenoot die positief testte, waardoor zij een tweede quarantaine van veertien dagen moest ondergaan.
De rechtbank oordeelde dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig was, maar de Raad van State stelde vast dat na veertien dagen de maatregel niet langer gerechtvaardigd was, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordeden. De tweede quarantaine en het uitblijven van een vlucht waren geen bijzondere omstandigheden, mede omdat de staatssecretaris onvoldoende maatregelen had genomen om besmettingen in detentie te voorkomen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van de tweede quarantaine. Tevens werden de proceskosten aan de vreemdeling toegekend. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing niet nodig was.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel was na veertien dagen onrechtmatig voortgezet en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.