ECLI:NL:RVS:2022:1053
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid afvalligheid
De vreemdeling, met de Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van afvalligheid van de islam, hetgeen volgens hem bij terugkeer naar Irak tot een schending van artikel 3 EVRM Pro zou leiden. De staatssecretaris wees zijn aanvraag af omdat de afvalligheid niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij afvallig was.
In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat hij ten onrechte niet opnieuw was gehoord door de staatssecretaris, terwijl dit essentieel is voor een zorgvuldige geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielmotief. De Afdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het ontbreken van een nieuw gehoor kon worden gecompenseerd door schriftelijke toelichting in beroep. Het gehoor is cruciaal voor het verkrijgen van een authentiek en integraal verhaal.
Desondanks werd het hoger beroep ongegrond verklaard omdat de rechtbank terecht had overwogen dat er een beschermingsalternatief in de Koerdische Autonome Regio bestaat, wat de vreemdeling niet betwistte. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond vanwege het beschermingsalternatief.