ECLI:NL:RVS:2022:827
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing van besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Palestijnse staatloze vreemdeling
De vreemdeling, van Palestijnse komaf en staatloos, diende meerdere asielaanvragen in die allen werden afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van 5 november 2021, waarbij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling valt onder artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en daarmee onder artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn, omdat hij geregistreerd staat bij de UNRWA. De staatssecretaris stelde echter dat deze bepalingen niet van toepassing zijn omdat de vreemdeling nooit bescherming van de UNRWA heeft ontvangen en niet in het werkgebied van de UNRWA verbleef.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling onder artikel 1(D) valt. De grieven van de staatssecretaris slagen en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling faalt. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling bevestigt hiermee de noodzaak van een zorgvuldige toetsing van de toepasselijkheid van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn in het kader van asielaanvragen van staatloze Palestijnse vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.