ECLI:NL:RVS:2022:1423
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- B.J. Schueler
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering onttrekkingsvergunning woningvorming wegens te late beslissing
Appellante kocht in 2016 een woning in Den Haag en splitste deze bouwkundig in vier woningen. Het college verleende in 2017 een omgevingsvergunning voor de splitsing, maar weigerde in januari 2019 een onttrekkingsvergunning voor woningvorming. Appellante stelde dat zij op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege over de vergunning beschikte, omdat het college te laat had beslist.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief van 23 september 2018 van appellante als een aanvraag moest worden aangemerkt. Het college had de beslistermijn van acht weken moeten respecteren, maar besloot pas op 23 januari 2019, na overschrijding van de termijn. De opschorting van de beslistermijn wegens het verzoek om aanvullende informatie was slechts zes dagen, waardoor de uiterste beslisdatum 27 november 2018 was.
De Afdeling verwierp het verweer van het college dat de aanvraag niet compleet was vanwege het ontbreken van het voorgeschreven formulier en leges. De Afdeling concludeerde dat appellante van rechtswege over de onttrekkingsvergunning beschikte. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college werd verplicht de vergunning bekend te maken. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt verplicht de onttrekkingsvergunning van rechtswege bekend te maken.