Uitspraak
Datum uitspraak: 9 februari 2022
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Twenterand verleende op 14 november 2018 een omgevingsvergunning aan een pluimveebedrijf voor het vervangen van de stalinrichting door volière-huisvesting en het realiseren van een mestloods en wintergarten op het perceel te Geerdijk. De Stichting Leefbaar Buitengebied en twee bewoners van Geerdijk maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege vrees voor overlast en nadelige milieugevolgen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank Overijssel, werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werd onder meer betoogd dat de reguliere voorbereidingsprocedure onterecht was gevolgd in plaats van de uitgebreide procedure, dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ontbrak, dat onvoldoende rekening was gehouden met het grondwaterbeschermingsgebied, dat een milieueffectrapport (MER) had moeten worden opgesteld en dat de afstand tussen kippen en omliggende woningen onvoldoende was. De Afdeling oordeelde dat de reguliere procedure passend was volgens de Wabo en het Besluit omgevingsrecht, dat de Wnb-vergunning niet aanhaakte bij deze vergunningverlening, en dat de gronden die niet tijdig in eerste aanleg waren aangevoerd niet in hoger beroep konden worden meegenomen.
De Afdeling stelde vast dat het college een m.e.r.-beoordelingsbesluit had genomen en dat er geen aanwijzingen waren dat belangrijke nadelige milieugevolgen waren uitgesloten. Ook werd bevestigd dat de afstandseis van 50 meter niet in de planregels was opgenomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de verleende omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.