ECLI:NL:RVS:2022:1605
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoek parkeren in voortuinen wegens ontbreken wettelijke overtreding
Het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen wees een verzoek van appellant af om handhavend op te treden tegen het parkeren van auto's in voortuinen van huurwoningen, omdat dit niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Appellant stelde dat dit parkeren in strijd was met een privaatrechtelijke koopovereenkomst en dat het college onterecht niet handhavend optrad.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het college slechts bevoegd is tot handhaving bij overtreding van publiekrechtelijke voorschriften en niet op grond van privaatrechtelijke overeenkomsten zoals de koopovereenkomst.
Verder oordeelde de Afdeling dat het parkeren niet in strijd is met artikel 2:12 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen 2020, omdat er geen sprake is van een uitweg zoals gedefinieerd in de Beleidsregels uitwegen 2016. Ook werd geoordeeld dat de procedurele klachten van appellant over het ontbreken van een schriftelijke zienswijze niet tot vernietiging leiden, omdat de wettelijke procedure niet van toepassing was en appellant wel telefonisch is gehoord.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft het verzoek tot handhaving terecht afgewezen wegens ontbreken van een wettelijke overtreding.