ECLI:NL:RVS:2022:2086
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens permanente bewoning recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland legde op 14 mei 2019 een last onder dwangsom op aan appellant vanwege permanente bewoning van een recreatiewoning, wat in strijd is met het bestemmingsplan. De dwangsommen bedroegen € 10.000 per week met een maximum van € 50.000. Na constatering dat de overtreding voortduurde, besloot het college op 26 november 2019 tot invordering van de verbeurde dwangsommen.
Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen de invordering, onder meer met het argument dat het college niet handhavend mocht optreden omdat het in vergelijkbare gevallen niet handhaafde, en dat de inschrijving van de bewoner in de Basisregistratie Personen op een ander adres betekende dat aan de last was voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep zich richt op de invordering en niet op de last onder dwangsom zelf, die onherroepelijk is. Het betoog over gelijke behandeling faalde omdat dit een grond betreft die tegen de last onder dwangsom zelf had moeten worden ingebracht. Ook het beroep op de inschrijving in de BRP werd verworpen, omdat de controle ter plaatse en verklaringen van de betrokkene aantoonden dat de recreatiewoning nog steeds permanent werd bewoond. Daarnaast waren er geen bijzondere omstandigheden die invordering in de weg stonden, ondanks de coronacrisis en de financiële situatie van appellant. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de invordering van de dwangsommen wegens permanente bewoning van de recreatiewoning en verklaart het hoger beroep ongegrond.