ECLI:NL:RVS:2022:2748
Raad van State
- Hoger beroep
- E.A. Minderhoud
- B.P.M. van Ravels
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning bouw appartementen Duinweg 35 Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 4 februari 2021 een omgevingsvergunning aan Duinweg 35 B.V. voor de bouw van 22 appartementen met parkeergarage op het perceel Duinweg 35, waar voorheen een verzorgingstehuis stond. Bewoners van het naastgelegen complex Parkrust, vertegenwoordigd door appellant sub 1, maakten bezwaar tegen de vergunning, met name tegen de locatie van de in- en uitrit van de parkeergarage die over een wandelpad in hun tuin zou lopen.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering rond verkeersveiligheid, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Zowel appellant sub 1 als het college en Duinweg 35 B.V. stelden hoger beroep in. Het college wijzigde het besluit tweemaal, waarbij parkeerplaatsen op maaiveld werden toegevoegd en later weer geschrapt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 25 juli 2022 en sloot het onderzoek na instemming van partijen.
De Afdeling oordeelde dat het college bij de vergunningverlening beleidsruimte heeft en dat de bestuursrechter toetst aan het recht, niet aan de ruimtelijke ordening zelf. De bezwaren van appellant sub 1 over ontbrekende stukken, privaatrechtelijke belemmeringen, alternatieven voor de in- en uitrit, en verkeersveiligheid faalden. De Afdeling vond dat het college voldoende had gemotiveerd waarom het bouwplan en de in- en uitrit aanvaardbaar zijn, en dat de belangenafweging rechtmatig was.
Het hoger beroep van appellant sub 1 werd ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van het college ingetrokken, en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van Duinweg 35 B.V. verviel. Het beroep tegen het besluit van 13 april 2022 was niet-ontvankelijk vanwege intrekking en aanpassing van het besluit op 28 juli 2022. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en liet het besluit van het college in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 1 en anderen wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 13 april 2022 niet-ontvankelijk.