ECLI:NL:RVS:2022:2834
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en middelen
De vreemdeling, een Eritrese vrouw, heeft samen met haar minderjarige kind een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf bij haar gestelde echtgenoot, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling haar identiteit en de familierechtelijke relatie met de referent niet aannemelijk zou hebben gemaakt en omdat niet aan het middelen- en paspoortvereiste werd voldaan.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris de overgelegde documenten onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en niet heeft meegewogen dat het ontbreken van een Eritrees paspoort in het licht van het Algemeen Ambtsbericht Eritrea begrijpelijk is. Ook is niet kenbaar gemotiveerd of de vreemdeling het voordeel van de twijfel krijgt.
Daarnaast is vastgesteld dat de referent een eerdere mvv-aanvraag voor nareizigers asiel heeft ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor de staatssecretaris de inkomenseis mogelijk niet strikt hoeft toe te passen. De Raad van State vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt dat de staatssecretaris bij de nieuwe besluitvorming ook de eerder aangevoerde beroepsgronden betrekt. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd.