ECLI:NL:RVS:2022:3012
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E. Helder
- J.M.L. Niederer
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoeken tegen gebruik rubbergranulaat op kunstgrasvelden in Tilburg
Stichting InStrepitus verzocht het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als infill-materiaal op kunstgrasvelden van voetbalvereniging Sarto. Het college wees dit verzoek af en gaf in plaats daarvan waarschuwingen en stelde een plan van aanpak en bodemonderzoeken verplicht. De stichting stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en tegen het inhoudelijke besluit.
De Raad van State oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat het college inmiddels inhoudelijk heeft beslist. De Afdeling overwoog dat het gebruik van rubbergranulaat onder de zorgplicht van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming valt en dat de gemeente wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het gebruik bodemverontreiniging kon veroorzaken.
De Afdeling stelde vast dat de gemeente aan de preventieve zorgplicht voldeed door toepassing van geldende zorgplichtdocumenten en dat er sprake was van een bodemverontreiniging met zink boven achtergrondwaarde, maar zonder risico’s voor mens en milieu. Het college handhaafde volgens het gemeentelijk beleid en de Landelijke Handhavingsstrategie door eerst te waarschuwen en de gemeente gelegenheid te geven tot herstel. De Afdeling vond dit beleid passend gezien de omstandigheden en de mate van verontreiniging.
Het beroep tegen het handhavingsbesluit werd ongegrond verklaard. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling concludeerde dat het college niet onrechtmatig heeft gehandeld door af te zien van zwaardere handhavingsmaatregelen en dat de stichting onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het beleid onjuist was toegepast.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk; het beroep tegen het handhavingsbesluit is ongegrond; het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.