ECLI:NL:RVS:2019:1569
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college Roermond tot handhavend optreden tegen geluidsoverlast door bovenbuurman
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Roermond om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door zijn bovenbuurman, die regelmatig op de vloer springt. Het college wees dit verzoek af wegens gebrek aan bevoegdheid en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat het verzoek een aanvraag was en dat het college wel bevoegd was op grond van artikel 174a Gemeentewet en artikel 7.22 Bouwbesluit 2012, en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen.
Het college stelde incidenteel hoger beroep in en betoogde dat de rechtbank ten onrechte bevoegdheid aan het college had toegekend. De Afdeling oordeelde dat de overlast zich binnen het privaatrechtelijke domein bevindt en geen verstoring van de openbare orde inhoudt, zodat artikel 174a Gemeentewet niet van toepassing is. Ook bood artikel 7.22 Bouwbesluit geen grondslag voor handhaving omdat de overlast niet gelijkgesteld kan worden met de in dat artikel bedoelde hinder.
Appellant voerde verder aan dat artikel 151d Gemeentewet een handhavingsbevoegdheid aan de burgemeester toekent, maar de Afdeling stelde vast dat de gemeenteraad van Roermond geen verordening heeft vastgesteld die deze bevoegdheid verleent. Andere betogen van appellant, zoals het niet tijdig toezenden van het proces-verbaal, het niet behandelen van een bestemmingsplanargument en verzoeken tot schadevergoeding, werden verworpen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van appellant ongegrond, het incidenteel hoger beroep van het college gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2017 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het college is niet bevoegd tot handhavend optreden tegen de geluidsoverlast.