Uitspraak
Datum uitspraak: 9 november 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellante een boete van €1.250 op wegens het niet voldoen aan haar inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn van 23 december 2014 tot en met 22 december 2017. Appellante voerde aan dat zij vanwege mantelzorg, psychische klachten en mogelijke dyslexie niet in staat was om aan de verplichtingen te voldoen. De minister baseerde zich op medische adviezen van verzekeringsartsen die concludeerden dat er geen medische reden was voor verlenging van de inburgeringstermijn.
Appellante stelde dat de artsen haar niet persoonlijk hadden onderzocht en dat haar dyslexie niet was onderzocht. Ook voerde zij aan dat de boete onevenredig was vanwege haar situatie in de schuldsanering. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister zorgvuldig had gehandeld door zich te baseren op deskundige medische adviezen die op zorgvuldige wijze tot stand waren gekomen. Er was geen aanleiding om het advies in twijfel te trekken, mede omdat appellante geen concrete medische stukken had overgelegd.
Verder oordeelde de Afdeling dat de minister de boete terecht had vastgesteld op basis van het beleid en de ernst van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht. De financiële situatie van appellante was onvoldoende onderbouwd en de schuldsanering was reeds beëindigd voor de boeteoplegging. De rechtbank had terecht geoordeeld dat appellante onvoldoende inspanningen had verricht om te voldoen aan de inburgeringsplicht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €1.250 wordt bevestigd.