ECLI:NL:RVS:2022:3215
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke weigering vaststelling bestemmingsplan voor agrarisch bedrijf in Soest
De zaak betreft het verzoek van appellant tot herziening van het bestemmingsplan voor het perceel L 247 aan de zuidzijde van de Peter van den Breemerweg te Soest, om daar een agrarisch bedrijf te vestigen ter vervanging van het beëindigde bedrijf aan de [locatie]. De raad van Soest heeft op 7 februari 2019 besloten om verder te zoeken naar een bestaand vrijkomend agrarisch bouwperceel en heeft uiteindelijk bij besluit van 19 mei 2020 het verzoek van appellant afgewezen zonder motivering. Een nadere motivering volgde op 26 november 2020. Het bezwaar van appellant tegen deze besluiten werd deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard, waarna appellant beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het besluit van 7 februari 2019 een besluit in de zin van de Awb is en dat het bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ook is het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2020 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van motivering. De Afdeling beoordeelt vervolgens de inhoudelijke gronden van het beroep. De raad heeft beleidsruimte bij het vaststellen van bestemmingsplannen en heeft belangen afgewogen, waaronder landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied, de noodzaak van een passende beoordeling vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Veluwe, en de mogelijke precedentwerking.
Appellant voerde onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden vanwege eerdere toezeggingen en dat de stikstofproblematiek niet juist is beoordeeld. De Afdeling oordeelt dat de raad terecht heeft gewezen op landschappelijke waarden en dat het ontbreken van een passende beoordeling terecht is aangevoerd. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden omdat geen toezeggingen zijn gedaan die planologische medewerking aan de bedrijfsverplaatsing garanderen. De Afdeling verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van 17 juni 2021, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. De raad wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 17 juni 2021 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.